Toen mijn jongste dochter een jaar of 8 was en we terug reden naar huis van een bezoekje aan kennissen, zei ze vanaf de achterbank uit het niets: “Die mensen zijn heel erg boos op elkaar”.
Huh, daar had ik niets van gemerkt, ik vond het juist gezellig met ze. Zij, nu 25 jaar later en inmiddels klinisch psycholoog, heeft ‘een neus’ voor sfeer en oprechtheid, ik helaas in veel mindere mate.
Hoe weet je als mentor of je cliënt een fijne woonplek heeft, niet alleen qua kwaliteit van zorg, de voorzieningen, maar vooral wat de sfeer betreft, qua huiselijkheid en gezelligheid.
Onze cliënten wonen bijna allemaal in verschillende woningen bij zorginstellingen. Elke woning telt meerdere bewoners, die in een woongroep samenleven. De woongroepen zijn vaak samengesteld op basis van eenzelfde soort zorg/hulpvraag. De idee hierachter is dat de zorg beter te organiseren is als woongroepen relatief homogeen zijn samengesteld. Binnen de gehandicaptenzorg zijn er bijvoor-beeld woongroepen voor kinderen, voor jongeren en ouderen met een verstandelijke beperking en eventueel bijkomende lichamelijke beperking en/of psychiatrische problematiek.
Uiteraard is de groepssamenstelling altijd van invloed op de sfeer in de woongroep, maar als het goed is, is er in elke groep een bepaalde mate van huiselijkheid. Voor cliënten is het immers hun thuis.
In een woning voor oudere mensen met een (ernstig) verstandelijke beperking en bijkomende lichamelijke beperkingen is het vaak rustig, vaak een summier ingerichte woonkamer, en er zijn allerlei hulpmiddelen als tilliften, rolstoelen etc. aanwezig. In een woning bestemd voor mensen met een verstandelijke beperking met complexe psychiatrische problematiek zie je vaak een kale woonkamer, soms aparte hoekjes in de woning, weinig hulpmiddelen en meer lawaai, soms geschreeuw/gegil. Maar … …..de ene woning is de andere niet.
Hoe zorg ik ervoor dat ik als mentor de best mogelijke zorg voor mijn cliënten kan vinden, in een gezellige woning, met een fijne sfeer? Waar let ik dan op bij het zoeken naar een nieuwe woonplek en hoe monitor ik of het écht huiselijk en gezellig is in die woning?
Soms kom ik in een woning en dan bekruipt me het gevoel in een wachtkamer binnen te stappen, in plaats van in een woongroep; bewoners zittend in de woonkamer in afwachting van wat gaat komen. Of ik kom in een woning waar medewerkers je niet zien en niets tegen je zeggen, Dan weet ik eigenlijk al, wegwezen hier, geen goede plek voor mijn cliënt. Verder zoeken! Dan kan het wel even duren, voordat je bij een zorginstelling terecht kunt en op een geschikt geachte woning kunt gaan kijken.
Waarom kies je als mentor dan voor die ene woning en wijs je de andere woning af?
Een rood kruisje is een minpunt, en een groen vinkje een pluspunt in mijn afwegingen als ik een mogelijke nieuwe woning bezoek, maar ook als ik bij cliënten op bezoek ga om te zien hoe het gaat.
Er van uit gaande dat de kwaliteit van zorg goed is, let ik op allerlei zaken, zoals bijvoorbeeld:
Planten in de woonkamer en/of een schemerlamp √. Alle bewoners op hun kamer: X. Medewerkers hebben contact met bewoners, er wordt gesproken, in plaats van in stilte bezig te zijn met verzorging√√√√. Medewerkers met elkaar aan tafel en bewoners apart: XX. Geur van urine of ontlasting: X. Bewoners in de woonkamer: √. Spelletjes of knutselspullen zichtbaar in kast: √. Dienblad met kopjes in het zicht: √ . TV in de woonkamer en bij navraag aansluiting op internet TV zodat bewoners samen Youtube filmpjes kunnen bekijken √. Zichtbaar vriendelijk en niet-functioneel contact tussen medewerkster en bewoner √√. Taalgebruik met dwingende ondertoon als “; Nee, blijf maar zitten” XX. Medewerkers bezig met hun mobiele telefoon XX.
Medewerkers die grapjes maken met bewoners en onderling √√. Knutselwerkjes van bewoners aan de muur in de woonkamer of op het appartement van bewoner √. Medewerkster die de was in de woonkamer opvouwt, al dan niet samen met een bewoner √√. Bewoners die voor zichzelf de koffie inschenken in plaats van bediend te worden. √√.
Niet elke cliënt heeft hetzelfde nodig, maar wat mij betreft, heeft iedereen oprechte belangstelling en warmte van anderen nodig. Oprecht en dus geen professionele standaard of een ingestudeerde versie ervan. Toen jaren geleden een medewerkster aan mij vroeg of zij een arm om mijn cliënte mocht slaan als zij erg moest huilen, was ik geschokt en ben ik beter gaan letten op de sfeer en manier van wonen met elkaar.Cliëntej zat veel alleen in haar appartement, terwijl zij, gezien haar ontwikkelingsniveau , zichzelf absoluut niet alleen kon vermaken. Dit terwijl er een hele grote gemeenschappelijk woonkamer was, maar daar eigenlijk niemand zat. Feitelijk zat ze te vereen-zamen. Ik heb hierover meerdere gesprekken gevoerd met begeleiders en gedragsdeskundigen, men begreep wat ik bedoelde, maar vond het lastig om huiselijkheid te organiseren. Na enige tijd was mijn conclusie ‘het zit er gewoon niet in’, dus verhuizen. Zij woont inmiddels, tot haar en mijn tevredenheid, in een kleine en rommeliger woonsetting en in deze woning is sprake is van echte huiselijkheid, warmte en genegenheid.
Ik weet inmiddels, dat dit geen garantie is voor de toekomst, want ‘het tij kan keren’: langdurige ziekte; vertrek van vertrouwde medewerkster; instroom van nieuwe cliënten die niet goed matchen met bestaande bewoners etc. etc. Niets is voor de eeuwigheid.
Niet in de zorg en ook niet in de “echte” wereld.
Mentorschap…… mooi beroep……….. en ook regelmatig gezellig